Het verdrongen homoseksualiteitspatroon: hoe homoseksuele en biseksuele jongeren in de transitiepijplijn terechtkomen

Meerdere onderzoeken en tientallen individuele verhalen tonen een patroon: homoseksuele en biseksuele jongeren, met name jongens, die via een transgenderidentiteit hun seksuele geaardheid proberen te ontlopen. De Cass Review benoemde het. De vraag is waarom dit politiek zo gevoelig ligt.

In de discussie over genderzorg is er een patroon dat politiek ongemakkelijk is, maar empirisch consistent terugkeert: een deel van de mensen die transitioneert en later detransitioneert, blijkt homoseksueel of biseksueel te zijn. Ze transitioneerden niet omdat ze werkelijk een verkeerd geslacht hadden — ze transitioneerden omdat ze hun seksuele geaardheid niet konden accepteren.

Het patroon in de onderzoeksdata

De Cass Review (2024) benoemde expliciet dat bij jongens met genderdysforie homoseksualiteit als onderliggende factor niet adequaat werd onderzocht. De review stelde dat de klinische praktijk van bevestiging zonder exploratie het risico inhield dat homoseksuele jongens op een medisch transitiepad werden gezet in plaats van begeleid te worden bij de acceptatie van hun seksuele geaardheid.

De verhalen op dit platform

Het patroon is zichtbaar in meerdere verhalen: Ritchie Herron (een homoseksuele man die werd gecastreerd), Teiresias (een Nederlandse man die vanwege niet-acceptatie van zijn homoseksualiteit transitioneerde), Aleksa Lundberg en Ollie Davies. De documentaire "Detransitioners: A European Tragedy" (2025) vertelt vier Europese verhalen — alle vier personen zijn homo- of biseksueel.

Waarom dit zo politiek gevoelig ligt

Het patroon roept herinneringen op aan werkelijke conversietherapie. Maar het impliceert ook dat een deel van de genderzorg de facto heeft gefunctioneerd als conversietherapie — dat homoseksuele mensen, met name jongens, via het transgendercircuit zijn omgeleid in plaats van begeleid bij acceptatie. Die conclusie is politiek explosief.

Het onderscheid dat verloren ging

In de vroege transgenderzorg werd een onderscheid gemaakt tussen vroeg-onset en laat-onset genderdysforie. In de eerste groep werd meer bewijs gevonden voor positieve uitkomsten; in de tweede groep was de overlap met homoseksualiteit en biseksualiteit groter. Naarmate de jaren 2010 vorderden, verdween dit onderscheid uit de klinische praktijk.


Bronnen:

  • Dhejne, C. et al. (2011). Long-Term Follow-Up of Transsexual Persons. PLOS ONE. plos.org
  • Cass Review (2024). Final report.